van historisch exportrecord naar vliegende start

Met bijna 1,4 miljoen ton sluit de Nederlandse uiensector een historisch exportseizoen af. Een absoluut record dat de internationale kracht van de Holland Onion onderstreept, maar voor veel Nederlandse telers tegelijk een seizoen met een keerzijde was. En terwijl de balans van 2025–2026 wordt opgemaakt, is het nieuwe exportseizoen alweer volop onderweg.

Opnieuw in hoog tempo
Met de definitieve exportcijfers is seizoen 2025–2026 afgesloten. En bepaald niet als een nachtkaars. Ook in de laatste weken bleven aanzienlijke volumes Nederlandse uien hun weg naar internationale afnemers vinden en dat is bijzonder te noemen. Als dit structureel is, biedt het kansen voor de tweede helft van het exportseizoen dat de laatste jaren steeds slapper werd. De uiteindelijke teller kwam uit op 1.388.439 ton Holland Onions. Daarmee werd niet alleen een nieuw exportrecord gevestigd, maar het vorige record uit seizoen 2021–2022 met circa 7 procent overtroffen. Ten opzichte van seizoen 2024–2025 lag het uiteindelijke exportvolume ongeveer 15 procent hoger.

Om dat volume enigszins voorstelbaar te maken: uitgaande van gemiddeld zeven à acht uien per kilogram gaat het om ongeveer 10 miljard uien. Ruimschoots één Holland Onion voor iedere wereldburger.

Een wereldmarkt die steeds breder wordt
Afrika bleef ook in 2025–2026 met afstand de belangrijkste bestemming voor de Nederlandse ui. Aan het einde van het seizoen ging bijna 57 procent van de totale export naar het Afrikaanse continent. Europa vertegenwoordigde ruim 27 procent, de Amerika’s bijna 10 procent en Azië inclusief het Midden-Oosten ruim 6 procent. Maar juist de ontwikkeling gedurende het seizoen is interessant. Tot en met week 19 lag het Afrikaanse aandeel nog op ruim 64 procent. Europa stond toen op 24,6 procent en de Amerika’s op slechts 4,3 procent. In de laatste maanden verbreedde de afzet zich dus duidelijk. Afrika bleef veruit de grootste markt, maar andere continenten wonnen relatief terrein.

Daarmee laat het record meer zien dan alleen een uitzonderlijk hoog totaalvolume. Het toont ook het vermogen van de Nederlandse uiensector om gedurende het seizoen te schakelen tussen markten en product te bewegen naar die plaatsen in de wereld waar op dat moment vraag ontstaat.

Senegal was uiteindelijk opnieuw de grootste individuele afnemer met ruim 231.500 ton, gevolgd door Ivoorkust met meer dan 212.000 ton. Daarna volgt Groot-Brittannië. In totaal vonden Nederlandse uien hun weg naar ruim 130 landen.

Europa: ruim een kwart van de totale export
Ook Europa blijft met circa 27 procent een belangrijke pijler onder de Nederlandse uienexport. In absolute omvang gaat het om ongeveer 377.000 ton. Achter dat Europese totaal gaat echter een sterk uiteenlopend beeld schuil. De absolute uitblinker was Groot-Brittannië. Britse afnemers kochten bijna 162.000 ton Nederlandse uien, een groei van ongeveer 48 procent ten opzichte van het seizoen daarvoor. Ook Ierland liet groei zien.

Op verschillende markten op het Europese vasteland verliep de afzet juist moeizamer. Duitsland bleef ongeveer 7 tot 9 procent achter, België bijna 48 procent en Frankrijk circa 27 procent. Deze landen worden steeds meer zelfvoorzienend. Telers uit deze landen worden zelfs leveranciers aan Hollandse verwerkers en liften zo slim mee op de sterke logistieke keten die de Holland Onion kent. Europa groeide daarmee niet over de volle breedte mee met het exportrecord. Juist de combinatie van de uitzonderlijk sterke Britse vraag en groeiende afzet buiten Europa laat zien hoe internationaal gespreid de Nederlandse uienhandel inmiddels opereert.

Nederland als internationale uienhub
De internationale positie van Nederland beperkt zich dus niet alleen tot de eigen oogst van Hollandse uien. Volgens de exportstatistieken werd in hetzelfde seizoen ook circa 85.000 ton uien van buitenlandse oorsprong via Nederlandse bedrijven verhandeld en opnieuw geëxporteerd. Dat onderstreept de bredere functie die Nederland in de wereldwijde uienhandel vervult. Teelt vormt de basis, maar daaromheen staat een gespecialiseerde keten van sortering, verpakking, kwaliteitscontrole, handel en logistiek. De retail van een aantal Europese bestemmingen vereist zelfs uien van eigen bodem. Nederlandse bedrijven beschikken over wereldwijde klantnetwerken en de kennis en infrastructuur om grote volumes efficiënt naar uiteenlopende bestemmingen te bewegen. Nederland is daarmee niet alleen een van de grootste exporteurs van uien, maar ook een internationaal knooppunt in de wereldwijde uienhandel.

Paradox
Een historisch exportrecord betekent echter niet automatisch een financieel record voor de mensen die de uien telen. Integendeel: exportvolume en telersprijs kunnen zich soms bijna tegengesteld ontwikkelen. In seizoen 2018–2019 waren de rollen vrijwel omgekeerd. De Nederlandse uienexport bleef toen steken op circa 823.000 ton, het laagste niveau in jaren, terwijl schaarste juist voor uitzonderlijk hoge telersprijzen zorgde. In 2025–2026 zien we bijna het spiegelbeeld: een zeer ruime beschikbaarheid, lage prijzen voor de teler en tegelijkertijd een historisch exportvolume van bijna 1,4 miljoen ton.

Dat onderstreept de paradox van het afgelopen seizoen. De relatief lage prijs maakte de Holland Onion op de wereldmarkt bijzonder concurrerend en hielp om enorme volumes af te zetten. Wat voor de internationale markt een sterke exportpositie opleverde, betekende voor veel Nederlandse uientelers echter een teleurstellend financieel resultaat. Voor hen telt uiteindelijk niet hoeveel Nederland als geheel exporteert, maar wat er onder de streep overblijft na teelt-, oogst- en bewaarkosten. 

Dat maakt lagere prijzen voor de teler vanzelfsprekend niet tot goed nieuws. Maar internationaal gezien kan zo’n seizoen wel nieuwe deuren openen. Nieuwe afnemers maken kennis met de Holland Onion, bestaande klanten kunnen grotere volumes opnemen en handelsrelaties worden verder uitgebouwd. Wanneer die contacten ook in toekomstige seizoenen standhouden, ontstaat uit een moeilijk prijsseizoen ten minste een bredere basis voor toekomstige afzet.

Het stokje wordt naadloos overgenomen
En terwijl de laatste uien van seizoen 2025–2026 nog werden geëxporteerd, stond de nieuwe oogst alweer klaar. Week 27 markeert de start van exportseizoen 2026–2027. En die start was spectaculair te noemen. Op basis van de inmiddels gecorrigeerde cijfers werd in de eerste week ongeveer 13.500 ton geëxporteerd. Een jaar eerder was dat in dezelfde week nog circa 6.900 ton. Het nieuwe seizoen startte daarmee met bijna tweemaal zoveel export en dat is best opmerkelijk.

Na drie weken begon die enorme procentuele voorsprong zoals verwacht iets te normaliseren, maar de export zelf deed allesbehalve een stap terug. Tot en met week 29 lag het cumulatieve volume nog altijd ruim 60 procent boven het niveau van een jaar eerder. De exportstatistiek kwam na dezelfde week uit op ruim 48.000 ton. Vervolgens gaat het tempo juist verder omhoog. Van circa 13.500 ton in week 27 steeg het weekvolume via ongeveer 15.400 en 19.000 ton naar 21.000 ton in week 30, ruim 27.000 ton in week 31 en uiteindelijk 34.871 ton in week 32. Dat is bijna 30 procent meer dan in dezelfde periode van het vorige seizoen.

En misschien nog veelzeggender: nog nooit werden in de eerste zes weken van een Nederlands uienexportseizoen cumulatief zoveel uien geëxporteerd. Week 32 zelf behoort met bijna 35.000 ton eveneens tot de uitzonderlijk hoge exportweken voor dit vroege moment in het seizoen.

West-Afrika opnieuw aan kop
In het nieuwe seizoen laat de wereldmarkt zien hoe snel handelsstromen zich kunnen ontwikkelen. Tot en met week 33 is inmiddels ruim 156.000 ton Hollandse uien geëxporteerd, ruim 12% meer dan in dezelfde periode vorig seizoen. West-Afrika bepaalt daarbij opnieuw in belangrijke mate het tempo: ruim 60% van het totale exportvolume vond in de eerste zeven weken zijn weg naar deze regio.

Ivoorkust is met circa 34.000 ton op dit moment de grootste afzonderlijke bestemming, gevolgd door Senegal met ruim 21.000 ton. Mali is inmiddels goed voor ruim 10.000 ton. Vooral Mali valt op: de export naar dit land ligt bijna 57% hoger dan in dezelfde periode vorig seizoen. Ook Ivoorkust noteert met ruim 15% een stevige groei, terwijl Senegal vrijwel op het niveau van vorig jaar blijft.

Ook buiten deze vertrouwde West-Afrikaanse kern groeit de vraag. De export naar de Amerika’s en het Caribisch gebied komt tot en met week 33 uit op ruim 14.100 ton, circa 37% meer dan in dezelfde periode vorig seizoen. Vooral Nicaragua valt daarbij op met circa 4.700 ton, ruim drie keer zoveel als een jaar geleden. Ook Trinidad en Tobago en Haïti laten duidelijke groei zien, terwijl de Dominicaanse Republiek en Guatemala vanaf een kleinere basis nog veel sterker toenemen.

Groot-Brittannië bevestigt ondertussen zijn positie als bijzonder belangrijke Europese afnemer. Met circa 18.500 ton is het land op dit moment de derde grootste afnemer.De export ligt daar na zeven weken circa 15% boven het niveau van vorig seizoen, waarmee Groot-Brittannië direct voortbouwt op de sterke groei uit het afgelopen recordseizoen.

Het is uiteraard veel te vroeg om uit de eerste zeven weken conclusies te trekken over het volledige seizoen 2026–2027. De eerste exportweken betreffen de plantuienoogst, die relatief grof was in vergelijking met de zaaiuien die momenteel geoogst worden. Door de aanhoudende droogte is de verwachting dat de opbrengst en sortering van de zaaiuien sterk afwijken van die van de plantuien. Het groeiseizoen drukt ons allemaal weer met de neus op het feit hoe belangrijk de beschikbaarheid van zoet water is. Exportcijfers worden bovendien naderhand nog bijgewerkt en gecorrigeerd. Maar de richting van de eerste cijfers is onmiskenbaar.

Seizoen 2025–2026 is afgesloten met een historisch record. Seizoen 2026–2027 is nog maar zeven weken onderweg. Maar het stokje is naadloos overgenomen — en de volgende versnelling is al ingezet.

 

degbesfrnlpt